Catharinus Wierda: ‘Minder dierenleed begint in de keten’
Nederland is wereldkampioen zuivelproductie. Efficiënt, schaalbaar en goedkoop. Maar achter dat succes schuurt het. Onze kijk op dieren verandert — ook bij boeren en bij mij. Hoe houdbaar is een systeem waarin bulk en prijs leidend zijn, en dierwaardigheid onder druk staat? Blijven we daarin meegaan, of kiezen we een andere route? En wat vraagt dat van ons?
Terwijl ik dit schrijf, kijk ik uit over de weilanden van mijn buurman, melkveehouder. De koeien grazen rustig of liggen in het gras. De zon schijnt. Een prachtig gezicht. En toch knaagt er iets.
Anonieme ‘rambamkaas’
Als boerenzoon en kaasmaker ben ik altijd nauw verbonden geweest met de melkveehouderij. Maar de laatste jaren ben ik me steeds vaker gaan afvragen: wie zijn wij om dieren van zeshonderdvijftig kilo op deze manier te houden? Doen we ze wel recht? Hebben wij zelf überhaupt wel het recht om te beslissen over het wel en wee van ‘ons’ vee?
Dat ongemak wordt groter omdat ik tegelijkertijd zie hoe waardevol zuivel is of kan zijn. Kaas is een geweldig mooi, lekker en gezond product. Met een lange geschiedenis, veel smaak en een hoge voedingswaarde. Het is niet voor niets dat veel mensen moeite hebben om kaas te laten staan. Maar juist dat maakt het ingewikkeld.
Want wat gebeurt er als zuivel verwordt tot een bulkproduct? Tot anonieme ‘rambamkaas’ zonder karakter? Of geproduceerd als gecondenseerde melk (met veel suiker) tegen zo laag mogelijke kosten en afzet elders in de wereld? Dan verdwijnt niet alleen de waarde, maar ook de aandacht voor het dier is minder belangrijk.
Ik geloof dat onze aarde te klein is om deze vorm van productie eindeloos op te schalen. Dat besef maakt ook dat ik opensta voor andere ontwikkelingen. Meer plantaardig, meer hybride? Prima, en zeker bij zuivelproducten met weinig waarde. Het gesprek over voedsel mag breder zijn dan alleen zuivel.
Lessen uit Afrika en Azië
Mijn blik op dierenwelzijn en ketens werd breder en scherper door mijn werk bij Solidaridad, waar ik melkveebedrijven bezocht in Afrika en Azië. Koeien kregen wat ‘roadgrass’ in vuile voerbakken. Water was schaars en vaak vervuild. Dieren stonden vastgebonden op modderige plekken. En dat terwijl boeren juist voor hun dagelijkse inkomsten afhankelijk waren van hun melk. Er is jarenlang geïnvesteerd in kennisoverdracht in deze landen. Maar kennis alleen bleek niet genoeg om echt iets te veranderen.
Wat wel werkte, zag ik in India. In de staat Karnataka ontwikkelde het bedrijf Akshayakalpa een geïntegreerde keten met een grote groep melkveehouders. De schone (‘not handpicked’) melk wordt tegen een eerlijke prijs afgezet in Bangalore, waardoor de zuivelpartij boeren zekerheid kan bieden: gegarandeerde afname, tijdige betaling en toegang tot financiering via Tata Trust. Die financiering is niet vrijblijvend. Boeren investeren daarmee in een voorgeschreven gedetailleerd free range-houderijsysteem. Het laat zien wat er mogelijk is: echte vooruitgang voor koe en boer ontstaat pas wanneer kennis, duidelijke ketenafspraken en economische zekerheid samenkomen.
Verantwoording nemen
Die ervaringen vormden de basis voor mijn eigen onderneming in Nederland. Want wat kan ik zelf doen als kaasmaker? We doen het hier veel beter dan in veel andere landen. Maar ook in Nederland loopt de weidegang terug en staan nog steeds veel koeien in te krappe oude stallen met weinig lucht en licht.
Met de kennis die ik heb, voel ik verantwoordelijkheid voor dierwaardigheid: in huisvesting, weidegang, voeding en verzorging. Veel boeren zijn intrinsiek gemotiveerd en er is genoeg kennis beschikbaar. Maar dat alleen is niet genoeg.
Beter dan Beter Leven
Welke regels geven boeren duidelijkheid én stimuleren beter gedrag, zonder dat ze verstikken in regeldruk? Bij de Fryske hanteren we de eisen van het Beter Leven-keurmerk voor stallen en verplichten we lange weidegang (minimaal 180 dagen). Dat zijn extra regels. Maar ze werken. De omstandigheden voor de dieren verbeteren zichtbaar en boeren zijn tevreden over de resultaten. Bovendien ontvangen ze een betere prijs voor hun melk.
Zijn we er dan? Nee. Als we dan toch met koeien werken, wil ik me in de toekomst richten op het betere werk. Op een systeem dat blijft ontwikkelen. In huisvesting, in voeding, in verzorging en in het beter begrijpen van dieren, bijvoorbeeld met behulp van technologie. Met de Fryske kunnen we dit niet alleen en hebben we ook andere partijen nodig: afnemers die verder willen kijken dan de laagste prijs en zich voor langere tijd willen verbinden.
Dat ongemakkelijke gevoel als ik naar koeien kijk, blijft. Maar ik heb wel iets gevonden waaraan ik zelf wat kan doen. Iets waarmee ik kan bijdragen aan een duurzamere manier van omgaan met dieren in een samenleving die daar steeds anders naar kijkt. En ondertussen maak ik kaas. Lekkere kaas. Met zo weinig mogelijk bijsmaak.
In onze serie ‘Gatenkaas’ leggen we de gaten in de zuivelwereld bloot. Wat gaat er mis. Wat kan anders? En wat proberen wij zelf al te doen?